Terwijl Ellen een tweede kopje koffie haalt, houdt

“Terwijl Ellen een tweede kopje koffie haalt, houdt ze haar tassen in de gaten. De koffie op Arlanda is zo schandelijk duur dat je het gratis tweede kopje wel moet benutten, denkt ze terwijl ze langs twee tegen elkaar geschoven tafeltjes loopt.

– Ellen! Ik dacht al dat jij het was!

– Hallo.

– Jemig, dat is lang geleden! Hoe lang geleden is het wel niet. Tien jaar, of is het nog langer?

Om precies te zijn, acht en een half.

Toen Ellen in de vrouwenkliniek van Örnsköldsvik haar coschappen liep, ontmoette ze daar Margoth Oxenstierna, een gerenommeerd arts die vijftien jaar ouder was dan zij. Energiek, spraakzaam en deftig, maar ook aardig en geestig. Met dezelfde droge galgenhumor hadden ze samen heel wat baby’s ter wereld geholpen en miskramen weggeschraapt, en tijdens het wassen van de baby’s hadden ze gegiecheld als de verpleegsters even niet keken. Ze werden vriendinnen, maar verloren elkaar uit het oog toen ze allebei verhuisden. Met kerst kwam er nog een paar keer een kaartje, maar dat hield op een gegeven moment op.

Ellen had in een medisch tijdschrift gelezen dat Margoth met onderzoek was begonnen toen haar kinderen groot waren. Het had iets met het immuunsysteem te maken. Naast Margoth zit een halve schoolklas, of gezien hun lengte eerder een basketbalteam.

– Dit is Ellen, met wie ik in Ö-vik heb gewerkt. En dit is Peter, mijn man.

Een van de goed getrainde teamleden heeft wat grijze haren. Ze heeft het gevoel dat ze hem ergens van kent.

Margoth stelt haar grote familie voor, ze knikken allemaal verstrooid, nauwelijks geïnteresseerd in een oude bekende van hun moeder. Wat een hoop tekst zonder één keer adem te halen, denkt Ellen. En waar ken ik die Peter van? Hebben we elkaar misschien een keer in Ö-vik ontmoet, of zou hij een bekend persoon zijn?

– En jij? Ik hoorde van iemand dat je druk met je proefschrift bent.

– Ja, dat klopt, maar dat kost een hoop tijd. Ellen wil niet praten. Ze wil rustig haar koffie kunnen drinken en geen bekenden tegenkomen. Ze wil zich niet met Margoth en haar familie bezighouden. Ze heeft genoeg aan haar eigen zaken.

– Ik moet deze reis nog maken en een paar maanden aan de computer zitten. Ik doe onderzoek naar sterfte onder zwangere vrouwen in een district in Centraal-Zambia.

– Dat klinkt erg spannend!

– En jij?

Ellen verschuift de aandacht graag naar de ander.

– Ach, ik zit meestal aan de computer, reisjes zitten er voor mij niet in. In het gunstigste geval mag ik naar een saaie conferentie in Frankfurt. Margoth lacht en wuift afwerend naar haar gezin, dat graag naar de taxfreeshops, bars en andere attracties wil lopen.

– En waar gaan jullie nu naartoe?

– Op vakantie. Leeuwen en giraffen kijken.

– Ik neem aan in Nairobi?

– Nee, we dachten naar Zambia en het South Luwanga-park te gaan. Ben jij daar wel eens geweest?

– Nee.

– Maar jij gaat nu naar Lusaka?

– Ja.

Dat kan ze onmogelijk ontkennen.

– Dan zitten we dus in hetzelfde vliegtuig. Waar slaap je?

Ze wil zeggen: bij goede vrienden, maar dat is niet waar en aangezien de hotelbussen bij het vliegveld klaarstaan, kan ze niet tegen Margoth liegen.

– In het Pamodzi Hotel.

– Wij zitten eerst in het Continental, maar na de safari kunnen we een ander hotel nemen. Dat is over vijf dagen. Het zou zo leuk zijn als we elkaar wat uitgebreider zouden kunnen spreken, dan kunnen we lekker bijkletsen over wat er in al die tijd gebeurd is. Het hele basketbalteam slentert weg, kibbelend over wat een cd-speler in de taxfreeshop zal kosten. Ze zijn niet bang gezien of gehoord te worden.

Voor de maaltijd in het vliegtuig is geserveerd laat Margoth zich niet zien. Als het eten is rondgebracht doet Ellen oordoppen in en verstopt zich achter het oogmasker en de knetterende synthetische deken. Het alternatief, zich op haar onderzoeksmateriaal storten, is geen optie. Ze heeft verder niets bij zich, behalve een matige detective, die haar vermoedelijk niet tegen Margoths enthousiasme zal kunnen beschermen. Ze is enigszins verbaasd dat Margoth de gebruikelijke familievragen oversloeg:

‘En hoe zit het? … heb je kinderen?’”